Regionale variatie in VGT
Een regiolect is een variëteit van een taal die in een bepaalde regio wordt gesproken. Vanuit de geschiedenis van het onderwijs in Vlaanderen kan mooi aangetoond worden hoe de verschillende regiolecten van VGT gegroeid zijn. Sinds het einde van de 19de eeuw is er per provincie minstens één school waar dove en slechthorende kinderen naar school kunnen gaan en op internaat kunnen. De overgrote meerderheid van de volwassen dove gebarentaligen in Vlaanderen heeft VGT geleerd als kind op één van deze scholen en/of een dovenclub waar ze lid van zijn. Dit gebeurt door onderling contact met gebarentalige klas- en schoolgenoten, (oudere) leden van de dovenclub, etc. Voor VGT heeft onderzoek aangetoond dat er hierdoor vijf verschillende regiolecten ontstaan zijn. Deze tonen duidelijke geografische overeenkomsten met de regio’s rond elke Vlaamse dovenschool en grofweg met de provinciegrenzen. Dus, wat “Vlaamse Gebarentaal” wordt genoemd, is een overkoepelende term voor de vijf regionale variëteiten die zich hebben ontwikkeld in en rond de verschillende Vlaamse dovenscholen in de verschillende provincies: West-Vlaams, Oost-Vlaams, Antwerps, Vlaams-Brabants en Limburgs. De variëteiten hebben min of meer dezelfde grammatica en voor het grootste gedeelte ook dezelfde gebaren, maar een deel van de gebaren is verschillend. Duidelijke voorbeelden van grote regionale variatie in VGT vind je terug bij de lexicale gebaren voor kleuren (vb. BRUIN) en dagen van de week (vb. WOENSDAG).
Uit ouder onderzoek blijkt dat de Limburgse variant, wat de verwantschap tussen de verschillende regio’s betreft, minder gebaren gemeen heeft met de andere regio’s dan deze onderling met elkaar hebben. De sterkste gelijkenissen worden gevonden tussen alle regio’s met Antwerpen, gevolgd door Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Antwerpen zou een centrale positie innemen en de grootste invloed uitoefenen op de overige regio’s. De Antwerpse variant zou in het publieke domein dus de voorkeur kunnen genieten wanneer er geen algemeen gekende ‘Vlaamse’ variant is. Limburg heeft duidelijk de kleinste impact: Limburgse gebaren zijn minder wijdverspreid en worden daardoor vaker als afwijkend gezien. Zoals reeds eerder gezegd is de Vlaamse Gebarentaal een overkoepelende term voor de vijf regiolecten. Bij het maken van leermaterialen voor dove kinderen of tweedetaalverwervers (zoals tolken VGT) is het belangrijk om na te denken over hoe men steeds rekening kan houden met de bestaande variatie.
Tegelijkertijd is het ook zo dat er in Vlaanderen steeds meer interregionale contacten zijn (zowel live als virtueel), waardoor mensen vaak geen “zuiver” regiolect meer gebruiken en hun taalgebruik ook de beïnvloeding vanuit verschillende regiolecten vertoont. Denk bijvoorbeeld aan mensen die van een regio naar een andere verhuizen, of in een andere regio wonen dan waar ze naar school zijn gegaan of werken.
Naast deze verschillen tussen de regio’s is, zijn er ook andere types variatie in VGT mogelijk. Een voorbeeld is gendergerelateerde variatie als gevolg van het feit dat er tot eind jaren zeventig aparte scholen waren voor jongens en meisjes. Deze variatie tussen de seksen is nog zichtbaar bij de oudere generaties. Een ander voorbeeld is leeftijdsgebonden variatie, vb. jongerentaal. Beide types variatie moeten nog nader onderzocht worden.
Wat met een standaardtaal?
In 1997 verwierp de Vlaamse Dovengemeenschap officieel een opgelegde standaardisering van de Vlaamse Gebarentaal, wat toen nog de Vlaams-Belgische Gebarentaal heette. De vergadering bestond uit leden van elke vereniging onder het toenmalige Fevlado en enkele VGT-taalkundigen waren aanwezig om op eventuele vragen te antwoorden. Er werd toen beslist om openlijk de voorkeur te geven aan het ondersteunen van een spontaan standaardiseringsproces van VGT. Daarnaast verwierp men ook het gebruik van NmG, een gebarensysteem, en het bijhorende NmG-Gebarenwoordenboek ten voordele van de natuurlijke en spontaan ontstane taal, de Vlaamse Gebarentaal. Verder is zo’n natuurlijke taal ook steeds in beweging/ontwikkeling. Zo komen er geregeld nieuwe gebaren bij – denk maar aan het gebaar CORONA^VIRUS uit 2020 – en verdwijnen andere gebaren. Door veelvuldig onderling taalcontact tussen mensen uit verschillende regio’s wordt een standaardiseringsproces of normering spontaan ingezet en onderhouden. Uit onderzoek over het lexicon van de Vlaamse Gebarentaal is inderdaad gebleken dat er een spontaan standaardiseringproces aan de gang is voor de Vlaamse Gebarentaal. Dat betekent dat de verschillende gebarentaalvariëteiten langzaam naar elkaar toe vloeien en dat er dus waarschijnlijk wel een standaard-Vlaamse Gebarentaal aan het groeien is.
Bronnen:
Van Herreweghe, M., and Vermeerbergen, M. (2009). Flemish sign language standardisation. Curr. Issues Lang. Plann. 10, 308–326.
Jonckers, K. (2013). Op zoek Naar Gendervariatie in Vlaamse Gebarentaal. Masterproe Thomas More Hogeschool.
De Weerdt, K., Vanhecke, E., Van Herreweghe, M., and Vermeerbergen, M. (2003). Op (onder)zoek naar de Vlaamse Gebarenschat. Gent: vzw Cultuur voor Doven.
Vanhecke, E., & De Weerdt, K. (2004). Regional Variation in Flemish Sign Language. In: Van Herreweghe, M., & Vermeerbergen, M. (eds.), To the lexicon and beyond: Sociolinguistics in European deaf communities, 10, 27-38.
Van Herreweghe, M. & Vandemeulebroucke, E. (2016). “Vlaamse Gebarentaligen en Standaard-VGT: Verstoten of Omarmen?” Taal En Tongval, vol. 68(2), pp. 201–36, doi:10.5117/TET2016.2.HERR.