Wat is een gebarentaal? Wat is Vlaamse Gebarentaal?
Het antwoord op de eerste vraag is heel eenvoudig: net zoals gesproken talen zijn gebarentalen natuurlijke talen. Maar wat is dan “een natuurlijke taal”? Die vraag is dan weer niet zo gemakkelijk te beantwoorden.
Er bestaan veel verschillende definities voor “taal”.
De definitie die wij zullen gebruiken, is:
- Een taal is een natuurlijk ontstaan, menselijk communicatiemiddel waarmee je kan communiceren over alles wat je denkt, ziet, voelt, droomt.
- Een taal bestaat uit bouwstenen. Die bouwstenen worden volgens bepaalde regels samengevoegd tot grotere gehelen.
- Elke taal heeft eigen bouwstenen en regels.
Gebarentalen zijn natuurlijke talen, net zoals gesproken talen als het Frans, het Engels, het Nederlands, het Japans,…
- Maar gebarentalen zien er wel anders uit, ze hebben een andere verschijningsvorm. Bij gesproken talen gebruik je je oren en je stem.
- Bij gebarentalen gebruik je je ogen om de taal waar te nemen en je handen en je lichaam om jezelf uit te drukken. Gebarentalen zijn visueel-gestuele talen.
- Gesproken talen noemen we oraal-auditief.
De visueel-gestuele modaliteit biedt mogelijkheden die er niet of minder zijn voor gesproken talen. Zo kan je in een gebarentaal vaak niet enkel maar “zeggen”, maar ook “tonen”. Wanneer je bijvoorbeeld gebaart dat
Bv: Iemand eet, kan je meteen ook tonen hoe dat gebeurt en/of wat er gegeten wordt.
Je kan bijvoorbeeld aangeven dat je hand een lepel vasthoudt, of dat je met stokjes eet.Of je kan je handvorm zo kiezen dat meteen duidelijk is dat je een koekje vasthoudt,
of een groot stuk taart.Of je kan het contrast aangeven waarbij iemand snel en schrokkend eet ten opzichte van iemand die “met lange tanden” iets moet opeten.
“Zeggen door te tonen” is veel moeilijker in een gesproken taal. De visueel-gestuele modaliteit biedt ook specifieke mogelijkheden voor de grammatica van de taal door bijvoorbeeld meer gebruik te maken van simultaneïteit en de ruimte.
De gebarentaal die in Vlaanderen gebruikt wordt, heet “Vlaamse Gebarentaal”.
Tot in de jaren 1990 sprak men over “Belgische Gebarentaal”, zowel in Vlaanderen als in Wallonië.
Het federaliseringsproces dat de laatste decennia in België heeft plaatsgevonden, heeft ook op de dovengemeenschap in België een grote impact gehad. Een van de eerste Belgische organisaties die zich opsplitste in een Vlaamse en een Waalse organisatie was namelijk de nationale dovenfederatie, NAVEKADOS (of de “Nationale Federatie van Katholieke Doofstommen”), die in de jaren zeventig werd opgesplitst in Fevlado (Federatie van Vlaamse Dovenorganisaties, vandaag “Doof Vlaanderen” genoemd) en de FFSB (Fédération Francophone des Sourds de Belgique).
Als gevolg hiervan worden hun activiteiten sinds dan apart georganiseerd, waardoor er steeds minder contacten zijn tussen Vlaamse en Waalse gebarentaligen.
Het resultaat was dat de gebarentalen die in de beide landsdelen gebruikt werden geleidelijk aan divergeerden tot twee verschillende talen. Als een goed Belgisch compromis werd in de jaren 1990 voor de gebarentaalvariëteiten in Vlaanderen de term ‘Vlaams-Belgische Gebarentaal’ gebruikt, voornamelijk door horende onderzoekers, aangezien dove gebarentaligen zelf meestal spraken over ‘gebaren’ of zelfs ‘wijzen’, maar geen naam voor hun taal hadden (wat wijst op de lage status die de taal zelfs binnen de Vlaamse dovengemeenschap had).
Dit duurde tot oktober 2000 toen, tijdens een Algemene Vergadering van Fevlado, een meerderheid van de aanwezige Vlaamse dove leden besliste om hun taal
“Vlaamse Gebarentaal” te noemen.
Inmiddels werd de Langue des Signes de Belgique Francophone (LSFB) door het Waalse parlement erkend in 2003 en werd de Vlaamse Gebarentaal (VGT) op 26 april 2006 erkend door het Vlaams Parlement. 26 april is nog steeds een feestdag in de Vlaamse dovengemeenschap.
In Vlaanderen zijn er naar schatting ongeveer 5000 à 6000 dove VGT-taligen. Daarnaast zijn er nog zo’n 7000 horenden die Vlaamse Gebarentaal (goed) kennen en de taal geregeld gebruiken. Niet alle VGT-taligen gebruiken voor alle begrippen dezelfde gebaren (zie thema “Regionale variatie”).
We willen hier ook even ingaan op enkele terminologische kwesties.
Let erop om steeds de term “gebarentaal” te gebruiken en niet “doventaal”. We zeggen toch ook niet “horendentaal”? Ook de term “doofstom” gebruik je best niet.
Dove mensen zijn niet stom, in geen enkele van de betekenissen van het woord: de meeste dove mensen kunnen hun stem gebruiken (maar doen dat vaak liever niet omdat ze hun eigen stem niet kunnen horen) en het is ook niet fijn om dom genoemd te worden.
Gebruik dus gewoon de woorden doof of slechthorend.
Wij gebruiken vaak ook de term “gebarentaligen” en dan meer specifiek “Vlaamse gebarentaligen” of “VGT-taligen”.
Die laatsten zijn mensen (doof, slechthorend of horend) wiens moedertaal, eerste taal of soms ook tweede taal de Vlaamse Gebarentaal is en/of die zich identificeren met de gemeenschap van VGT-taligen.
Bronnen:
Van Herreweghe, M. & Vermeerbergen, M. (2022). 30 Vragen over Gebarentaal in Vlaanderen en 29 Antwoorden. Zwijnaarde: Vlaams GebarentaalCentrum vzw. ISBN: 9789464660906.